De Anti-klaagtest: test die ander vragen

  • De klager klaagt chronisch om het klagen zelf. Hij klaagt alleen om aandacht te vragen.
  • De klager wil hoe dan ook zijn verhaal kwijt. Hij zal, afhankelijk van toehoorders en eigen dominantie, zijn klacht aandikken.
  • De klager draagt duidelijk de uiterlijke tekenen van een leven lang klagen (rimpels, wallen, hangende mondhoeken). De klager is slecht verzorgd en ziet er verwaarloosd uit.
  • De klager maakt gebruik van een scala aan non-verbale signalen van boosheid en gefrustreerdheid. Daaronder vallen wegwuiven, nee-knikken, de armen over elkaar geklemd en boos (weg)kijken.
  • De klager laat zich heel moeilijk afleiden wanneer je het gesprek op een ander (meer positief) onderwerp probeert te brengen. Hij lijkt met geen mogelijkheid te stoppen.
  • De klager ziet alleen wat hij wil zien. Hij zoekt naar bevestigingen van de klacht en negeert alle andere signalen.
  • De klager negeert de positieve prikkels van de anti-klager. Hij gaat voorbij aan constructief-kritische oplossingen en laat zijn klachten niet in een andere context plaatsen.
  • De klager vindt zelf helemaal niet dat hij klaagt (“…ik klaag helemaal niet, ik zég het gewoon…!”). De klager ergert zich wel aan al dat geklaag van anderen.
  • De klager houdt niet van objectieve analyses. Hij is wars van wetenschappelijke onderzoek en heeft een hekel aan wetenschappelijk onderbouwde feiten.
  • De klager is zelf niet in staat om te relativeren. Hij snapt gewoon niet waarom jij het niet zoals hij ziet. Hij kan zichzelf niet objectief beschouwen maar is wel bijzonder trots en zelfingenomen.